Leiderschap

Een hond is geen mens. Bijna iedereen die een hond heeft, zal beamen dat hij er een prima kameraad aan heeft. Een hond heb je voor de gezelligheid, voor de aanspraak, om van alles mee te ondernemen en lief en leed mee te delen. De hond is volwaardig lid van het gezin, hij hoort er gewoon bij. Zo kameraadschappelijk als we met de hond omgaan, een ding mogen we niet uit het oog verliezen: de hond is en blijft een hond.

Hoe ‘menselijk’ sommige honden zich soms ook lijken te gedragen, we mogen er geen menselijke eigenschappen van verwachten of aan toedichten. Dat is met name van belang bij het opbouwen van de relatie tussen baas en hond. Wie zijn hond democratische rechten toekent, solliciteert naar moeilijkheden. De hond ziet de inbreng die hij krijgt, niet als een voorrecht, maar als een gebrek van leiderschap van zijn baas. Als dier dat als vanouds deel uitmaakt van een roedel – een gemeenschap waarin iedereen letterlijk en figuurlijk zijn plaats weet en op die plek geen tegenspraak duldt van ondergeschikten – raakt onze huishond alleen maar in verwarring als hij in het menselijk gezin (de vervanger van de roedel) niet weet waar hij aan toe is. Een hond met een beetje pit gaat er dan vanuit dat hij dan maar de baas is. En hij zal dan bereid zijn het leiderschap op zijn manier te verdedigen – dus met grommen en zo nodig zijn tanden te laten zien – Niet alleen op momenten dat de baas misschien geneigd is het gedrag van zijn hond te zien als dapper en doortastend, maar ook bij die gelegenheden dat zulk gedrag regelrecht ongewenst is of zelfs gevaar oplevert. De hond zelf is met zo’n situatie ook niet echt gelukkig. In het gunstigste geval is hij onzeker en nerveus, in het ongunstigste geval vervalt hij – in onze mensenogen – tot agressief gedrag. Dat kan uiteindelijk leiden tot herplaatsing, een asiel of zelfs een voortijdig einde. Want uiteindelijk is het toch de hond die aan het kortste eind trekt.

Daarom is het zo belangrijk om in een vroegtijdig stadium – nog voordat de keuze op een bepaalde hond of ras gevallen is – te bepalen wat de baas wil en ook of men voor dat ras, dat qua uiterlijk en voorkomen misschien het meest aanspreekt, wel een goede baas kan zijn. Als de voorkeur uitgaat naar een stevige, waakse hond is het goed te bedenken dat die hond bepaalde eisen stelt op de manier waarop we met hem omgaan. Waak- en verdedigingshonden zijn om precies dezelfde redenen ooit aangeschaft, onhoudbaar als het gedrag van zo’n hond niet begrepen wordt of uit de hand loopt. Wie afgaat op een advertentie uit de krant, waarin een afgerichte hond word aangeboden (vaak gaat het dan om honden die deze opleiding om wat voor reden dan ook niet hebben voltooid), moet zichzelf terdege afvragen of hij zo’n hond wel aankan. En om diezelfde reden is het belangrijk om bij de aanschaf van een pup de rollen van begin af aan – ook al kijkt het wurm ons nog zo smachtend en ondeugend aan – duidelijk te verdelen. Dat betekent niet dat we de hond als een bullebak tegemoet moeten treden. Een hond die hard behandeld word, blijft misschien in het gareel, echt happy zal hij niet zijn. Gelukkig zijn er vele positieve manieren om de hond er van jongsafaan aan te wennen dat hij niet alleen een ondergeschikt plaats in ons roedel inneemt, maar dat hij op die plaats een fijn en veilig leven heeft. Daartoe dienen zich in het leven van alledag vele gelegenheden aan, gelegenheden die we aangrijpen om rangordebevestigend op te treden. Voor de hand liggend zijn de momenten dat we corrigerend moeten optreden. Minder voor de hand liggend, maar net zo effectief, zijn de momenten dat we de hond kunnen belonen om het gewenste gedrag te stimuleren en te bevestigen.

Yvonne Voets